Monday, February 20, 2006

Jeugd

Het is gek. Je wil schrijver worden, leest klassieke literaire werken van de groten der aarde, volgt Germaans Filologie uit pure liefde voor taal, en ontwikkelt je eigen stijl. In de catacomben van het stadion der literatuur wordt zelfs af en toe gefluisterd dat je talent hebt. Het enige steeds terugkerende probleem: waarover schrijven? 's Nachts, alleen op je kamer, achter het houten IKEA-meubel, belicht door een schemerlamp, bedenk je scenario's over ridders, of CIA-agenten, of corrupte regeringsleiders (misschien zelfs allemaal in hetzelfde manuscript) maar het loopt niet echt vlot. Je mist ziel. Bezieling. Woorden komen allemaal wat gemaakt, pseudo en geïmiteerd uit dat keyboard gesukkeld. Tot je je slecht voelt en je je talent gebruikt om dingen van je af te schrijven. Of nog; tot je je realiseert dat een heel aantal belangrijke dingen in je leven nooit luidop gezegd zijn, laat staan neergeschreven.
Ik ben het kleinkind van authentieke Vlaamse boeren. Mijn roots staan letterlijk in de Vlaamse boerenklei (en dat schrijf ik met niet weinig trots: Emblem represent). Ik ben het kind van twee fantastische mensen die zich, op eigen kracht(!), vanuit de lagere sociale klassen hebben weten op te werken tot de middenklasse. Mijn vader was arbeider bij General Motors, in ploegen, en heeft altijd vreselijk hard moeten werken. Vreselijk. Dat het vreselijk was, daar ben ik pas een tijdje terug achter gekomen. Enkele jaren geleden ben ik namelijk ook arbeider-voor-één-maand geweest aan de lopende band in de nachtshift. Zogezegd om geld te verdienen. De waarheid is dat ik wilde weten hoe het moest geweest zijn voor m'n vader om daar als tiener terecht te komen. Eerlijk? Het was een hel. Mensen (machines?) vervulden acht uur lang hun job in comateuze toestand om dan ziek gewerkt naar huis te gaan. Dat mijn vader dat tientallen jaren heeft gedaan (zij het niet altijd aan de band), daar heb ik diep respect voor. Mijn moeder is altijd thuis gebleven, bij mijn broer en ik. Een (huis)moeder uit de duizend, wat zeg ik? Een moeder uit zes miljard en een kletske.
Wij waren een typisch Vlaams gezin. Ik ben opgevoed door de stilte. Er is me niet geleerd om te spreken, maar om te zwijgen en hoewel ik daar wel eens pisnijdig om ben geweest, ben ik daar blij om, nu. Het heeft me geleerd te observeren, na te denken, te creëren in mijn hoofd. Ik ben nooit een grootspreker geweest, dat is pas later gekomen, toen ik humor ontworpen heb als masker voor mijn ziel. Het viel dan ook niet mee om als kleinste naast twee sterke karakters op te groeien. Mijn broer en mijn vader waren de roepers (vaak letterlijk), ik was de zwijger. Mijn vader en mijn broer zijn nog steeds alfa-mannetjes die hun plaats in de groep al imponerend en op de borst slaand willen afdwingen (en daar - il faut qu'on le dise - meestal nog in slagen ook, getuige hun beider carrières). Ik heb meer weg van mijn moeder. Zij is een zacht compromis-sluiter. Iemand die minstens evenveel macht heeft in de groep dan het leidend mannetje, maar niemand merkt het. The negotiator.
Ik ben opgegroeid in de jaren tachtig/negentig in Emblem, een gehuchtje nabij Lier. De boerenbuiten. Geen internet (althans niet voor mijn zestien), geen GSM, geen muziek (da's mijn vader zijn ding niet), niet uitgaan voor m'n zeventien, geen niks. Enkel sport. Voetbal was een religie ten huize Hoefkens, en dat is het nog steeds. Zaterdag wedstrijddag was de hoogmis, de dag waar het om draaide. Culturele of intellectuele educatie heb ik nooit ontvangen, al was heel de familie er wel trots op "dat onze Kristof zone slumme is". En daar ben ik blij om. Het geeft me immers het recht te zeggen dat ik de weg die ik tot nu toe heb afgelegd, niet alleen zelf gekozen heb, maar ook zelf heb moeten zoeken tussen de struiken van de onwetendheid, verborgen, ergens achterin. Materieel heb ik nooit iets te kort gehad, eerder wat te veel denk ik. Maar intellectueel heb ik het zelf moeten doen, en daar ben ik trots op. Daarom ook dat ik het niet als een belediging opneem als mijn vader zich weer eens afvraagt waar die Romaanse nu weer over gaat, of wanneer mijn moeder nog eens for old times sake mijn les wil afvragen. Mijn vriendin, Marijke, kan thuis erg enthousiast vertellen over school, ik niet. Dat hoeft niet, dat hoort niet zo bij ons. De stilte regeert nog steeds in Hoefkens-land, en - nationalist die ik ben - ik hou van mijn land. In de stilte, in de schaduw aard ik het best. Daar bloei ik open. Ik zou mijn broer, in een melig moment, mijn beste vriend durven noemen, maar de diepgaande gesprekken die we gevoerd hebben, zijn op de vingers van één hand te tellen. Misschien zelfs op de vingers van een man die omwille van een tragisch arbeidsongeval zijn beide handen heeft moeten laten amputeren. Zo zijn wij niet. Het draait allemaal om dat wat niet gezegd wordt, maar geweten is. Ik hoef mijn verhaal niet te doen, om te weten dat er iemand is die er toch om geeft.
En dan is mijn broer de voetballer geworden, de media-figuur tegen wil en dank, de ster, de BV. En ik... nog niets. Hoogstens een veelbelovendheid, al verschillen ook daar de meningen over. En voor de mensen, de vox populi, lijkt dat heel erg zielig voor mij. Ik hoor meermaals de vraag; "vinde da ni lastig, zonen broer hebben". Wat ze willen zeggen is eigenlijk: "Arme jongen, daar in de schaduw" (ik merk zelfs soms bij mijn broer af en toe een onbewaakt schuldgevoel voor zijn succes and I love him for it). Maar zo voelt het niet. Het lijkt wel voorbestemd van vroeger. Hij in de spotlights, schreeuwend en roepend voor zijn plek op het hoogste schavotje, voor zijn gouden medaille, zijn gewonnen wedstrijd, zijn A-caps, zijn titel, zijn bekerwinsten,... Ik achter mijn bureautje, in heel wat minder licht, de slimme van de familie, de stille in de schaduw. Maar ik heb den aard naar mijn moeder. Vergeet dat nooit.

0 Comments:

Post a Comment

Links to this post:

Create a Link

<< Home